Stel een vraag Maak een afspraak
+31 (0)20 2060700info@devos.nl
1.3
Over

Over de Vos & Partners

Niet moeilijk doen als het makkelijk kan: zo werken we het liefst en dat leidt tot langdurige en goede relaties met onze vele ondernemende cliënten. Van grote merken tot startups: iedereen kan bij ons terecht.

Wij zijn creatieve advocaten voor dynamische ondernemingen. Wij werken graag voor ondernemers en we nemen het begrip ondernemer ruim. Wij worden vooral blij van de samenwerking met ondernemers die in hun sector maken, creëren en innoveren. Zo behartigen wij voor de creatieve industrie veel zaken op het gebied van entertainment, muziek, merken, kunst en cultuur. Wij zijn voorts sterke partners voor gerenommeerde cliënten in handel en industrie, het MKB, de reisbranche, het vastgoed, de zakelijke dienstverlening en de sportsector. Wij helpen bedrijven bij hun ontwikkelingen en adviseren hen met visie en strategie bij complexe problemen. Kijkt u vooral eens bij de sectoren die wij bedienen en die wij een brede juridische dienstverlening aanbieden. Lees meer

Expertises

Expertises

Uitgelichte expertise • Creatieve industrie

Creatieve industrie

De topsector Creatieve Industrie is een van de snelst groeiende sectoren van de Nederlandse economie. Deze sector is ontstaan tussen de traditionele sectoren van de economie (landbouw, industrie en dienstverlening) en de cultuursector. De creatieve sectoren (zoals design, dance, media en entertainment, mode, gaming en architectuur) zorgen ervoor dat steden aantrekkelijker worden, er meer ondernemingen worden gestart en de werkgelegenheid groeit. Bovendien is de creatieve sector een aanjager van innovatie en levert de creatieve industrie oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. De creatieve industrie is in Nederland traditiegetrouw het sterkst vertegenwoordigd in Amsterdam. Maar cliënten uit opkomende creatieve steden, zoals Eind...

Cliënten

010 Bookings
Achmea Rechtsbijstand
Adobe
Amsterdams Fonds voor de Kunst
Afrojack
Andre Rieu
Anita Doth
ARAG
Armada
Audentity
Automotive
Avalon
Bakermat
BCMM
Biem
Bizon onstage
Broederliefde
Burak Yeter
Cloud9
Converse
Daily Paper
DAS
David Lewis
Deckers
De Gedachtendokter
Duncan Lawrence
&V
Fedde Legrand
Fifpro
FNV
Global DJ bookings
Golden Earring
Grand mono
Hans van Hemert productions
Het Nieuwe Instituut
Het Scheepvaartmuseum
Hortipoint
Houseoftracks
Ice Watch
Interact Law
ITDS
ITV media
Jayh Jawson
Jiskefet
Joyce Mercedes
Karsu
Kensington
Kvadrat
Lolbarz
Luxottica
Madurodam
Tabitha
Microsoft
Museumkaart
Museumvereniging
NDC
Nedfilm
Nevlin
Nicky Romero
NLCR
NMUV
NOVU
Oostappen
Parachute Music
PS FM
Quintino
Radio 8FM
Radio NL
Ray-Ban
Royal Air Maroc
SEFA
Sena
Showtek
Si Music
Sorted management
Sound Education Nederland
Soundscape
Stars Agency
Stern
Studio Drift
Style School ByDanie
Symbol Music Publishing
Tiesto
UGG
VMN
Warner Music Group
Will Knox
Nieuws

Laatste nieuws

07-10-2021 - door Els Doornhein

Workshop Els Doornhein: "Digitaal werken en de AVG"

Komt dat zien! Op 27 oktober 2021 organiseert DEN voor de culturele sector een kennisdag. Advocaat Els Doornhein geeft dan deze workshop: “Digitaal werken en de AVG” met de volgende inhoud: Privacy, een onderwerp waar je op de werkvloer niet meer omheen kunt. Zeker ook als die werkvloer zich bij jou thuis bevindt! In deze praktische workshop bespreekt Els waar je qua privacy allemaal op moet letten. Of het nu gaat om het versturen van een nieuwsbrief, het vragen naar of bewaren van persoonlijke gegevens of de manier waarop je een datalek voorkomt. En, vooral ook, wat je doet als je een datalek veroorzaakt! Behalve de do’s en don’ts op het gebied van privacy zal Els ook het onderwerp “cybersecurity” meenemen. Zo zal Els onder andere ingaan op het herkennen van phishingmails en beveiligingsmaatregelen die je zelf tijdens het werk kunt treffen. 

Lees meer

01-10-2021 - door Victor den Hollander

€ 76,- schadevergoeding na veroordeling illegale handel Bollywoodfilms

Het gebeurt niet vaak dat er geprocedeerd wordt over schadevergoeding bij illegale verspreiding van films. Een schadestaatprocedure is vaak duur, en kost veel tijd. Het afbreukrisico voor betrokken rechthebbenden indien de procedure faalt of tegenvalt is groot, de schade is niet gemakkelijk te begroten en rechters zijn over het algemeen erg terughoudend om grote geldbedragen toe te wijzen indien de schade niet superduidelijk te berekenen valt. Deze conclusie kan een Nederlandse licentiehouder van Bollywoodfilms die hoopte op een fikse schadevergoeding omdat zijn films illegaal zijn verhandeld in ieder geval trekken.[1] De licentiehouder kon echter wel, zoals blijkt uit het vonnis, rekenen op sponsoring voor de procedure door de Raad voor de Rechtsbijstand, want deze zaak is op toevoeging behandeld.[2] Desondanks kan het niet anders dan dat hij verlies heeft geleden. Dit is er gebeurd In 2014 is gedaagde (X) veroordeeld door de Rechtbank Rotterdam[3] de verkoop van inbreukmakende Bollywood-films te staken. In deze winkel in Rotterdam werden naast snuisterijen (Hindoestaanse kunstnijverheidsartikelen) onder meer ook MC’s, CD’s en DVD’s verkocht en verhuurd.[4] Hij importeerde deze producten zelf vanuit India voor de verkoop in Nederland (parallelimport dus). Er is destijds voor die procedure – die enkele jaren in beslag heeft genomen – een proefaankoop gedaan door de deurwaarder, die de DVD’s “Life Mein Kabhie Kabhiee” (LMKK) (scoort een 5,9 op IMDb[5]) en “Say Salaam India” (SSI) (scoort een 6,4 op IMDb[6]) heeft gekocht in de Hindoestaanse snuisterijenwinkel. De deurwaarder heeft verklaard zich ‘op 27 maart 2008 omstreeks 16.15 uur te hebben begeven naar het adres van de gedaagde, de twee DVD’s met de titel LMKK en SSI te hebben aangekocht, heeft voorzien van een sticker met daarop zijn stempel en handtekening en tot nader order te zijner kantore opgeborgen.’ Dat is relevant, want X betwistte in 2014 dat die DVD’s in zijn winkel zouden zijn gekocht. De rechter achtte in 2014 het proces verbaal van constatering van de deurwaarder overtuigend; ‘het moet ervoor worden gehouden dat de DVD’s van de films LMKK en SSI door de deurwaarder in de winkel van X zijn aangetroffen en gekocht en dat deze exemplaren vervolgens nader zijn onderzocht.’ Uit dat onderzoek bleek dat LMKK parallelimport was, en SSI namaak was. Beiden maakten derhalve inbreuk op de rechten van de Bollywood-licentiehouder in Nederland. Het lijkt er dan ook op dat er voldoende bewijs is om tot veroordeling van de gedaagde over te gaan; er werd door de Bollywood-licentiehouder in Nederland in 2014 met succes geëist dat X rekening en verantwoording af moest leggen door middel van het afgeven van stukken[7] aan de hand waarvan de schade begroot kon worden. De volgende informatie moest worden afgegeven: het aantal van de door X verhandelde inbreukmakende DVD’s; de door X gehanteerde verkoopprijs; de door X daarop gemaakte winst (of marge); opgave van alle afnemers van X. Allemaal zodat de Bollywood-licentiehouder een schadevergoeding zou kunnen eisen in deze procedure. Dat doet de Bollywoord-licentiehouder dit keer ook; hij vordert van X als schade betaling van € 24.818,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2014 (zijnde € 6.200,-), althans het jaar van inbeslagname, de kosten van het deskundigenbericht van € 2.480,-, en veroordeling in de proceskosten. Het schadebedrag van € 24.818,- is door de Bollywood-licentiehouder begroot aan de hand van een schaderapport dat is opgesteld door een auditorbedrijf, dat uitgaat van het mislopen van de verkoop van ongeveer 18.000 DVD’s. Dit zou € 24.818,- aan gederfde winst betekenen. Dit komt neer op € 1,39 gederfde winst per DVD. Schadeberekening door rechtbank Blijkbaar heeft X na het vonnis uit 2014 opgave gedaan aan de Bollywood-licentiehouder dat hij van iedere film één DVD op voorraad heeft gehad en dat deze twee DVD’s aan één persoon zijn verkocht.[8] Hier gaat de rechter niet in mee; ‘Het is niet aannemelijk dat de deurwaarder toevallig op een dag de enige twee exemplaren heeft gekocht.’[9] De rechtbank schrijft dat er niet van uit kan worden gegaan dat X slechts twee illegale DVD’s heeft verkocht. Daarom schat de rechtbank de schade zelf waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de handelshistorie tussen partijen. Voor deze methodiek is de aanleiding dat X gedurende de twee jaar voordat de inbreuk werd vastgesteld daadwerkelijk DVD’s bij de Bollywood-licentiehouder heeft ingekocht. De inkomstenderving van de Bollywood-licentiehouder kon niet eenvoudig worden begroot door de schadedeskundige, omdat het destijds een startende onderneming was. Daardoor zijn ‘vrijwel geen historische financiële gegevens beschikbaar die als referentie kunnen dienen’. Het auditorbedrijf heeft zich gebaseerd op een ondernemingsplan. Dat biedt de rechtbank (te) weinig zekerheid. De rechtbank haakt wel aan bij de ‘schatting’ van het auditorbedrijf en voegt daaraan toe dat het ook niet aannemelijk is dat X 18.000 in plaats van twee illegale DVD’s heeft verkocht. De gederfde winst van € 1,39 per DVD wordt € 1,00 per DVD omdat gedaagde X de genoemde winstmarge van 67% gemotiveerd betwist. Onder verwijzing naar het rapport is door X aangevoerd dat een reële winstmarge van ongeveer € 1,00 per DVD gebruikelijker is. Omdat dit door de Bollywood-licentiehouder vervolgens niet is weersproken, gaat de rechtbank uit van die winstmarge. Al aanhakend op de handelshistorie tussen de partijen, komt het neer op de misgelopen inkoop van gemiddeld 23 exemplaren per titel.[10] Daar komt bij dat er een ‘verval’ is in de afzetcurve bij dergelijke films gedurende de looptijd van de verkoop van de films (drie jaar); normaliter wordt blijkbaar in het eerste jaar 100% van de DVD’s verkocht, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar nog maar 15%. Dit leidt tot een geschatte gemiste afzet (gederfde winst) van de Bollywood-licentiehouder per film van 23 (100% in jaar 1) + 12 (50% in jaar 2, afgerond naar boven) + 3 (15% in jaar 3 afgerond naar beneden) = 38 DVD’s. Het totale aantal gemiste verkopen voor beide films bedraagt dan (2x € 1,00 =) 2 x 38 = 76 DVD’s. Dit leidt tot een geschatte gederfde winst van (76 x € 1,00=) € 76,-.   Overige eisen van Bollywood-licentiehouder De Bollywood-licentiehouder eiste in deze procedure ook de kosten van het schaderapport (€ 2.480,-), en de proceskosten. Die worden afgewezen resp. gecompenseerd. Enkel de wettelijke rente blijft nog over naast die € 76,-. Wettelijke rente Blijkbaar heeft de Bollywood-licentiehouder wettelijke rente geëist vanaf ‘vervaldatum’ 1 augustus 2014. De vervaldatum is van belang voor de duur dat je die wettelijke rente kan berekenen. Dit hoewel in de procedure uit 2014, nog 22 augustus 2011 als vervaldatum werd aangemerkt. In deze procedure is de start van de procedure uit 2014, drie jaar later dus, als vervaldatum en dus startdatum voor deze rente opgevoerd. Daar laat de Bollywood-licentiehouder dus wel wat geld (€ 35,-) liggen; de Rechtbank gaat hierin mee omdat dit in het voordeel van X is. De uiteindelijke veroordeling inclusief rente (in totaal) á € 55,12 (tot 25 augustus 2021, de datum van de uitspraak) komt neer op € 131,12. Niet bepaald een efficiënte, kostendekkende procedure dus, zeker niet met het oog op het gedeeltelijk ter zijde geschoven schaderapport, dat al € 2.480,- heeft gekost. Dit artikel is geschreven door Victor den Hollander, en verscheen het eerst op 1 oktober 2021 op devos.nl [1] In de zaak die vorige week werd gepubliceerd; Rechtbank Rotterdam 25 augustus 2021, C/10/599819 / HA ZA 20-641 [2] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8977 aanhef en onder r.o. 3.1 [3] 23 juli 2014 C/10/397034 HA ZA 12-205 [4] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8977 r.o. 2.1 en 2.2 [5] https://www.imdb.com/title/tt0979913/ [6] https://www.imdb.com/title/tt1020899/ [7] ex artikel 27a Auteurswet [8] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8977 r.o. 4.2 [9] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8977 r.o. 4.3 [10] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2021:8977 r.o. 4.11 onder a

Lees meer

01-10-2021 - door Nicolet Don

Update II Huurkorting vanwege de Coronacrisis, het eind is in zicht!

In februari en eind juli van dit jaar heb ik u geïnformeerd over de mogelijkheden voor huurders om aanspraak te kunnen maken op een huurkorting in verband met de door de overheid voorgeschreven Coronamaatregelen met allerhande exploitatieberekende maatregelen van dien. Uit de tot dan toe gewezen uitspraken van Amsterdamse kantonrechters in zowel kort gedingprocedures als bodemzaken is duidelijk geworden dat rechters van mening zijn dat de Coronamaatregelen kunnen worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden. In dat geval staat het de rechter vrij om de huurovereenkomst tijdelijk aan te passen, o.a. door het toepassen van een tijdelijke huurkorting. Door meerdere rechters is daarbij een formule gehanteerd die erop neerkomt dat de huurkorting gelijk is aan de helft van de omzet die de huurder in 2020/2021 minder heeft kunnen genereren dan in 2019. De verminderde omzet werd in die gevallen volgens het “share the pain principe” gelijkelijk tussen huurder en verhuurder gedeeld, zo oordeelden de betreffende rechters. De eventuele door de huurder ontvangen TVL (Tegemoetkoming Vaste Laten) dienden in die gevallen bij de gegenereerde omzet te worden opgeteld.  Op 14 september jongstleden heeft het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2021:2728) in een hoger beroep procedure naar aanleiding van een eerder gewezen kort gedingvonnis geoordeeld dat weliswaar nog steeds het “share the pain principe” geldt, maar er dient wel een geheel andere rekenmethodiek te worden toegepast. Het Hof heeft namelijk bepaald dat de door de huurder ontvangen TVL niet bij de gerealiseerde omzet moet worden opgeteld maar dient te worden afgetrokken van de totale vaste lasten van de huurder. Het Hof gaat er daarbij vanuit dat de TVL wordt gebruikt om daadwerkelijk huur te betalen. Voorts dient te worden uitgegaan van de TVL waarop een huurder aanspraak had kunnen maken en niet de TVL waarop de huurder daadwerkelijk aanspraak heeft gemaakt. Vervolgens dient te worden bepaald welk deel van de resterende vaste lasten betrekking heeft op de huur. Als in dat geval nog steeds huur verschuldigd is, dient daarop een korting te worden verleend die gelijk is aan de helft van de gegeneerde omzetderving over de betreffende periode. Dat zal in het merendeel van de gevallen leiden tot een lagere huurkorting voor de huurder dan toegewezen in een groot aantal vonnissen tot nu toe. Immers alleen over de nog openstaande huur die de TVL overschrijdt mag de korting worden toegepast. Op 30 september jongstleden heeft ook de procureur-generaal (p-g) zijn advies gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2021:902) naar aanleiding van de aan de Hoge Raad gestelde vragen door de kantonrechter Limburg en zoals nader uiteengezet in mijn vorige column. Dit advies bevestigt dat een huurder inderdaad geen rekening had hoeven houden met de gevolgen van de Coronamaatregelen. Hierdoor kan er sprake zijn van een gebrek (de p-g overweegt dat een gedwongen sluiting van de horeca in verband met de coronapandemie in beginsel is aan te merken als een niet volledig aan de huurder toe te rekenen omstandigheid waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat de huurder mag verwachten zodat in zoverre sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW) of een onvoorziene omstandigheid die kan meebrengen dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten. Dit maakt dat de coronacrisis in beginsel kan leiden tot een tijdelijke huurprijsvermindering die is gebaseerd op het nadeel dat de huurder lijdt als gevolg van het aan de coronacrisis toe te rekenen, voldoende ernstige omzetverlies van de huurder in de gehuurde zaak. De p-g heeft geoordeeld dat bij de bepaling van het nadeel het door de huurder ter zake van het gehuurde ontvangen bedrag aan TVL kan worden verdisconteerd op de wijze van het Hof in de genoemde uitspraak van 14 september jongstleden.  Het is nu nog wachten op het arrest van de Hoge Raad maar in het merendeel van de gevallen wordt door de Hoge Raad het advies van de p-g opgevolgd. Hopelijk komt het arrest snel want alle betrokken partijen hebben belang bij definitieve duidelijkheid. Met de invoering van de Coronatoegangspas per 25 september 2021, het opheffen van de 1 ½ meter maatregel en het stopzetten van de Coronasteunmaatregelen (o.a. TVL) is het wel mijn verwachting dat het merendeel van de huurders na 1 oktober 2021 geen aanspraak meer kan maken op een “corona-gerelateerde” huurkorting.      Als u over het voorgaande nog vragen heeft, dan kunt u mij altijd voor een vrijblijvend advies bellen.

Lees meer

20-09-2021 - door roeland van gelder

De rechtsgevolgen van de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring (september 2021)

Indien de wederpartij de gerechtvaardigdheid van de ontbindingsverklaring bestrijdt, bestrijdt zij daarmee in beginsel ook het met de ontbindingsverklaring beoogde rechtsgevolg. Beslist de rechter dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, dan staat daarmee in beginsel vast dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt met een mogelijke uitzondering in drie hieronder besproken gevallen. Niet nakomen en ontbinden van de overeenkomst Als partijen een wederkerige overeenkomst hebben gesloten zijn partijen verbonden om hetgeen is overeengekomen ook jegens elkaar na te komen. Regelmatig komt het echter voor dat één van de partijen, de zogenaamde schuldenaar, zijn verplichting(en) uit de overeenkomst niet nakomt zoals bij het niet betalen van een factuur, het loon, de huur, het leveren van een  ondeugdelijk product of werk enzovoorts. De andere partij, de zogenaamde schuldeiser, komt dan voor de vraag te staan wat te doen? In mijn bijdrage van juli 2021 ben ik ingegaan op de verbintenis tot vervangende schadevergoeding. In deze bijdrage zal ik nader in gaan op het buitengerechtelijk ontbinden van de overeenkomst door de schuldeiser. Wat te doen? Bij de vraag wat te doen indien de schuldenaar niet nakomt dient de schuldeiser na te gaan of voor het met succes instellen van vorderingen tot ontbinding van de overeenkomst en/of schadevergoeding het in verzuim zijn van de schuldenaar is vereist en zo ja, op welke wijze het verzuim intreedt. In verzuim zijn en het verzuim zuiveren In mijn bijdrage van februari 2021 “In verzuim zijn met of zonder ingebrekestelling” ben ik naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad d.d. 31 januari 2020 over het niet nakomen van de schuldenaar ingegaan op de mogelijkheden voor de andere partij, de schuldeiser. Vervolgens ben ik in mijn bijdrage van april 2021  “Het schuldenaarsverzuim zuiveren?” ingegaan op de mogelijkheden om het schuldernaarsverzuim te zuiveren naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad d.d. 7 december 2018. Ontbinding van de overeenkomst Artikel 6:265 BW geeft aan dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Indien een partij een overeenkomst niet nakomt, en nakoming is onmogelijk of de schuldenaar is in verzuim geraakt, kan de schuldeiser in de meeste gevallen de overeenkomst buitengerechtelijk of door de rechter (laten) ontbinden met als gevolg een ongedaanmakingsverbintenis en vordering tot aanvullende schadevergoeding (artikelen 6:267, 6:271 en 6:277 BW).   Bij verschil van mening tussen partijen over de gerechtvaardigdheid van de buitengerechtelijke ontbinding dient deze door de rechter te worden getoetst. Wat nu indien blijkt dat de buitengerechtelijke ontbinding bij de toetsing niet gerechtvaardigd wordt bevonden? De Hoge Raad De Hoge Raad heeft in het arrest G4/Hanzevast d.d. 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR: 2011:BQ1684) zich uitgesproken over de rechtsgevolgen van de niet gerechtvaardigde ontbindingsverklaring op grond van een toerekenbare tekortkoming. De Hoge Raad geeft aan dat wanneer de rechter beslist dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, daarmee in beginsel niet alleen vast staat dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt, maar ook dat de ontbindingsverklaring heeft geleid tot verzuim van de partij die deze verklaring aflegde. Voorts heeft de Hoge Raad aangegeven dat ook al kan de wederpartij bestrijden dat de ontbindingsverklaring gerechtvaardigd was, deze zich er echter bij kan neerleggen dat degene die de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring heeft uitgebracht de overeenkomst niet meer uitvoert. In voorkomend geval zal de wederpartij dan ook van haar zijde de overeenkomst niet (verder) uitvoeren. In een zodanig geval ziet de wederpartij weliswaar af van haar recht op nakoming, maar dat betekent niet zonder meer dat zij daarmee ook haar rechten prijsgeeft die voortvloeien uit de niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring. Ook de schade die het gevolg is van het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst, daaronder begrepen het zogenoemde positief contractsbelang, moet vergoed worden door de schuldenaar wiens verzuim heeft geleid tot het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst. Hierbij geeft de Hoge Raad aan dat het op zichzelf juist is dat de vordering van een partij bij een wederkerige overeenkomst tot vergoeding van het positief contractsbelang op de grond dat haar wederpartij als schuldenaar in verzuim verkeert, kan afstuiten op het in art. 6:86 BW besloten recht op zuivering van het verzuim van die wederpartij. Maar indien deze laatste van de mogelijkheid tot zuivering van haar verzuim geen gebruik heeft gemaakt, kan zij aan de vordering tot vergoeding van het positief contractsbelang niet tegenwerpen dat de overeenkomst niet is ontbonden. De Hoge Raad heeft in een arrest d.d. 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:152) in navolging van het arrest G4/Hanzevast zich nog eens expliciet uitgesproken over de rechtsgevolgen van de vordering tot ontbinding op grond van een toerekenbare tekortkoming. De Hoge Raad geeft aan dat indien een wederpartij de gerechtvaardigdheid van de ontbindingsverklaring bestrijdt, zij daarmee in beginsel ook het met die verklaring beoogde rechtsgevolg bestrijdt. Als de rechter vervolgens beslist dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, dan staat daarmee in beginsel vast dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt. De Hoge Raad geeft voorts uitdrukkelijk in bovengenoemd arrest drie gevallen aan waarin een ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring is uitgebracht en dit mogelijk toch anders ligt, te weten: Partijen kunnen zich naar aanleiding van een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring zodanig tegenover elkaar gedragen dat daarin een nadere, tot beëindiging van de overeenkomst strekkende, beëindigingsovereenkomst ligt besloten. Het beroep op het voortbestaan van de overeenkomst kan afstuiten op artikel 6:248 lid 2 BW en dus onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De wederpartij kan bestrijden dat de ontbindingsverklaring gerechtvaardigd was, maar zich erbij neerleggen dat degene die de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring heeft uitgebracht de overeenkomst niet meer uitvoert. De wederpartij zal dan ook van haar zijde de overeenkomst niet (verder) uitvoeren. Conclusie Indien de wederpartij de gerechtvaardigdheid van de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring bestrijdt, bestrijdt zij daarmee in beginsel ook het met de ontbindingsverklaring beoogde rechtsgevolg. Beslist de rechter dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, dan staat daarmee in beginsel vast dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt met een mogelijke uitzondering van de drie hierboven genoemde gevallen. Het is derhalve van belang om zorgvuldig in ieder concreet geval de juistheid van een buitengerechtelijke ontbinding na te gaan om niet in een gerechtelijke procedure te worden geconfronteerd met een ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring met alle gevolgen van dien. Indien er vragen zijn over de onderwerpen ontbinding, vervangende schadevergoeding, ingebrekestelling, in verzuim zijn en/of het zuiveren van het verzuim kunt u natuurlijk contact opnemen met ons kantoor om door één van de advocaten de vraag te bespreken en te worden geadviseerd.    

Lees meer



Copyright/Disclaimer © 2017 by De Vos & Partners N.V., Amsterdam, Nederland. All rights reserved. Website by Omelette Du Fromage