Stel een vraag Maak een afspraak
+31 (0)20 2060700info@devos.nl
1.3
Over

Over de Vos & Partners

Niet moeilijk doen als het makkelijk kan: zo werken we het liefst en dat leidt tot langdurige en goede relaties met onze vele ondernemende cliënten. Van grote merken tot startups: iedereen kan bij ons terecht.

Wij zijn creatieve advocaten voor dynamische ondernemingen. Wij werken graag voor ondernemers en we nemen het begrip ondernemer ruim. Wij worden vooral blij van de samenwerking met ondernemers die in hun sector maken, creëren en innoveren. Zo behartigen wij voor de creatieve industrie veel zaken op het gebied van entertainment, muziek, merken, kunst en cultuur. Wij zijn voorts sterke partners voor gerenommeerde cliënten in handel en industrie, het MKB, de reisbranche, het vastgoed, de zakelijke dienstverlening en de sportsector. Wij helpen bedrijven bij hun ontwikkelingen en adviseren hen met visie en strategie bij complexe problemen. Kijkt u vooral eens bij de sectoren die wij bedienen en die wij een brede juridische dienstverlening aanbieden. Lees meer

Expertises

Expertises

Uitgelichte expertise • Creatieve industrie

Creatieve industrie

De topsector Creatieve Industrie is een van de snelst groeiende sectoren van de Nederlandse economie. Deze sector is ontstaan tussen de traditionele sectoren van de economie (landbouw, industrie en dienstverlening) en de cultuursector. De creatieve sectoren (zoals design, dance, media en entertainment, mode, gaming en architectuur) zorgen ervoor dat steden aantrekkelijker worden, er meer ondernemingen worden gestart en de werkgelegenheid groeit. Bovendien is de creatieve sector een aanjager van innovatie en levert de creatieve industrie oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. De creatieve industrie is in Nederland traditiegetrouw het sterkst vertegenwoordigd in Amsterdam. Maar cliënten uit opkomende creatieve steden, zoals Eind...

Cliënten

010 Bookings
Achmea Rechtsbijstand
Adobe
Amsterdams Fonds voor de Kunst
Afrojack
Andre Rieu
Anita Doth
ARAG
Armada
Audentity
Automotive
Avalon
Bakermat
BCMM
Biem
Bizon onstage
Broederliefde
Burak Yeter
Cloud9
Converse
Daily Paper
DAS
David Lewis
Deckers
De Gedachtendokter
Duncan Lawrence
&V
Fedde Legrand
Fifpro
FNV
Global DJ bookings
Golden Earring
Grand mono
Hans van Hemert productions
Het Nieuwe Instituut
Het Scheepvaartmuseum
Hortipoint
Houseoftracks
Ice Watch
Interact Law
ITDS
ITV media
Jayh Jawson
Jiskefet
Joyce Mercedes
Karsu
Kensington
Kvadrat
Lolbarz
Luxottica
Madurodam
Tabitha
Microsoft
Museumkaart
Museumvereniging
NDC
Nedfilm
Nevlin
Nicky Romero
NLCR
NMUV
NOVU
Oostappen
Parachute Music
PS FM
Quintino
Radio 8FM
Radio NL
Ray-Ban
Royal Air Maroc
SEFA
Sena
Showtek
Si Music
Sorted management
Sound Education Nederland
Soundscape
Stars Agency
Stern
Studio Drift
Style School ByDanie
Symbol Music Publishing
Tiesto
UGG
VMN
Warner Music Group
Will Knox
Nieuws

Laatste nieuws

23-07-2021 - door Nicolet Don

Update Huurkorting vanwege de coronacrisis

In februari van dit jaar heb ik een artikel geschreven over de mogelijkheden voor huurders om aanspraak te maken op een huurkorting in verband met de door de overheid voorgeschreven coronamaatregelen. Uit die uitspraken blijkt dat rechters van mening zijn dat de coronamaatregelen kunnen worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden. In dat geval staat het de rechter vrij om de huurovereenkomst tijdelijk aan te passen, zoals het toepassen van een tijdelijke huurkorting. Uit meerdere recente uitspraken volgt, dat wanneer een huurder kan aantonen dat hij ten gevolge van de coronamaatregelen minder omzet heeft kunnen generen, hij in aanmerking komt voor zo’n huurkorting. Rechters hanteren daarbij een formule die erop neerkomt dat de huurkorting gelijk is aan de helft van de omzet die de huurder in 2020/2021 minder heeft kunnen genereren dan in 2019. De verminderde omzet wordt in dat geval volgens het “share the pain-principe” gelijkelijk tussen huurder en verhuurder gedeeld. In maart van dit jaar heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen gesteld:  Dient de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca beschouwd te worden als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW? Zo ja, aan de hand van welke criteria moet dan de mate van huurprijsvermindering worden beoordeeld? (Of) vormt de beperking in het gebruik van het gehuurde een onvoorziene omstandigheid die tot huurprijsvermindering kan leiden? Zo ja, welke omstandigheden van het geval wegen mee bij het bepalen of verdelen van de schade? Het is de verwachting dat de Hoge Raad in het najaar van dit jaar zich over voornoemde vragen zal uitlaten. Ondertussen is in uitspraken verder uitgemaakt dat bij de door de huurder gegeneerde omzet ook de verkregen TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten)-subsidie dient te worden opgeteld om vast te stellen hoeveel minder omzet door de coronamaatregelen is geleden. Dat geldt niet voor de door de huurder verkregen NOW-subsidie. Die is immers puur voor het dekken van arbeidsgerelateerde kosten. Bij de posten waarmee rekening dient te worden gehouden ter vaststelling van de door de huurder gegeneerde omzet is sinds een op 9 juli 2020 door de rechtbank Rotterdam gewezen tussenvonnis in een zaak, aangespannen door Scotch & Soda Retail B.V. tegen haar verhuurder, een extra post bijgekomen. De rechter heeft geoordeeld dat ook de omzet gerealiseerd door verkopen via de webshop moet worden opgeteld bij de door de huurder gegeneerde omzet. Dat deze webshop-verkopen worden gerealiseerd door een andere vennootschap vindt de rechter niet van belang nu de andere vennootschap tot hetzelfde concern behoort als de huurder, Scotch & Soda Retail B.V. De rechter vindt het niet onaannemelijk dat een deel van de omzet die normaliter door Scotch & Soda Retail B.V. in haar fysieke winkels zou zijn behaald, is weggevloeid richting de online verkopen via de webshop. Door de coronamaatregelen, waaronder de sluiting van de fysieke winkels per 15 december 2020, is het winkelend publiek immers voor het doen van aankopen vooral aangewezen op de webshop. In dat licht bezien acht de kantonrechter het niet redelijk om de vanuit Nederland behaalde omzet uit de online verkoop via de webshop volledig buiten beschouwing te laten. In verband met voornoemd oordeel is Scotch & Soda Retail B.V. in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te over de vraag of, en zo ja in hoeverre, de omzet van de winkels van Scotch & Soda is weggevloeid richting de webshop, waarbij alleen relevant is de vanuit Nederland via de webshop behaalde omzet. Scotch & Soda zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte hierover nader uit te laten, waarbij zij haar standpunten dienaangaande met stukken (waaronder in elk geval de relevante objectieve omzetcijfers) dient te onderbouwen. Het is afwachten hoe het eindoordeel in voornoemde procedure zal luiden maar deze uitspraak zal vermoedelijk wel leiden tot een lagere huurkorting waarop huurders aanspraak kunnen maken. Vraagt u zichzelf af of u als huurder in aanmerking kunt komen voor een huurkorting en of u als verhuurder uw huurder een huurkorting dient te verlenen? Bel of e-mail mij gerust. Ik kan u dan nader informeren over de meest recente ontwikkelingen. To be continued………  

Lees meer

23-07-2021 - door Margriet Koedooder

HOE MATTHEW FISHER VAN PROCOL HARUM NA VEERTIG JAAR STILZITTEN ALSNOG MEDE-AUTEUR WERD VAN ‘A WHITER SHADE OF PALE’

Inleiding Een aantal jaren geleden werd ik betrokken bij een merkwaardige zaak. Pas na 30 jaar meldde zich bij mijn cliënten een partij die beweerde dat een door hen gemaakt (algemeen bekend en zeer succesvol) muziekwerk eigenlijk door hem was gemaakt. Deze partij claimde niet alleen het auteursrecht, maar ook de inkomsten die mijn cliënten in de afgelopen dertig jaar hadden verdiend met het werk. Verjaring makerschap? Ik was ervan overtuigd dat deze zaak naar Nederlands recht om allerlei redenen zou moeten sneuvelen voor deze pseudo-auteur. Verjaring, rechtsverwerking, dwaling, opgewekte schijn, afstand van recht en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid schoten al door mijn hoofd. Maar op de zaak was Belgisch recht van toepassing en de pseudo-auteur kwam bij de Belgische rechter helaas een heel eind. Kan een partij op zijn woord terugkomen indien een ander daar jarenlang (gerechtvaardigd) op vertrouwd en naar gehandeld heeft? Kan de claim voor het makerschap verjaren? Dat lijken de hoofdvragen te zijn waar het hierbij om gaat. Matthew Fisher Pas onlangs kwam ik erachter dat zich in Engeland enkele jaren geleden een soortgelijke zaak heeft voorgedaan. Matthew Fisher, de organist van Procol Harum en verantwoordelijk voor het wereldberoemde orgelstuk in de wereldhit A Whiter Shade of Pale van Procol Harum, werd in 2009 – ruim veertig jaar na de eerste release van deze hit – alsnog erkend als mede-auteur van de compositie. Hoe zat dat nu precies? Hieronder vat ik de essentie van deze zaak, met toch wel een spectaculaire uitkomst, voor je samen. Voorgeschiedenis Mr Platz van platenmaatschappij en muziekuitgeverij Essex sloot op 16 mei 1967 een platencontract met de leden van Procol Harum, waaronder organist Fisher. In het contract staat onder meer het volgende: “clause 3(i)(a)” - the band members granted to Essex “the right to manufacture… sell, lease, license or otherwise use or dispose of …. records embodying the performances to be recorded hereunder ….”. Further by what I shall for consistency’s sake refer to as clause 3(i)(e), the members of the band also granted to Essex “the right to incorporate in records to be made hereunder instrumentations, orchestrations and arrangements owned by the manager at the time of recording them”. Vier dagen daarvoor, op 12 mei 1967, was de eerste single uitgebracht, getiteld A Whiter Shade of Pale (hierna: AWSOP). Ongeveer twee maanden eerder, op 7 maart 1967, hadden componist en zanger Gary Brooker en de tekstschrijver en manager Keith Reid, al een contract gesloten met Essex waarbij zij hun auteursrechten op het werk hadden overgedragen aan Essex. In de woorden van het contract dragen zij dan over: “all the Copyright as defined by the Copyright Act 1956… in the words and music of the composition ‘A Whiter Shade of Pale’ [and another song] … absolutely”. Deze overdracht kwam tot stand op basis van een demo van het later bekend geworden werk, die door Brooker zelf was ingespeeld en waarbij hij zelf de pianopartijen voor zijn rekening had genomen. Essex moest daardoor 50% van de auteursrechtelijke inkomsten doorbetalen aan Brooker en Reid. Op 17 maart 1967 wordt het werk ingeschreven bij de Britse PRS (Buma) en MCPS (Stemra). In april 1967 kwam Fisher erbij en werd de ons bekende versie van AWSOP opgenomen met daarop de wereldberoemde orgelintro van Fisher. Op 12 mei 1967 werd de opname door Decca onder licentie van Essex uitgebracht als single. Pas op 16 mei 1967 ondertekende de band een platencontract met Essex. Fisher verliet de band weer in 1969, bij welke gelegenheid hij door de band werd gevrijwaard voor schulden, in ruil voor het door hem afzien van bepaalde royalty-inkomsten (niet zijnde auteursrechtaanspraken). En de rest is geschiedenis. AWSOP is het succesvolste Britse lied aller tijden en is tenminste 1000 keer gecoverd door andere artiesten. Er zijn meer dan 10 miljoen platen verkocht en het werk is heel veel gebruikt in films, commercials en als ringtone. Essex draagt haar auteursrechten op het werk in 1993 over aan Onward Music Ltd die tot op de dag van vandaag de muziekuitgever is van het werk. In 1991 en 2003 werkt Fisher mee aan nieuwe albums van Procol Harum en doet hij als muzikant mee aan de optredens. Maar de samenwerking stopt aldoor weer snel. Fisher getuigt bij de rechtbank dat hij al in 1967 voor het eerst vroeg om een aandeel in het auteursrecht op de muziek, maar daar werd toen niet op gereageerd. Hij wilde zijn verzoek destijds niet doorzetten, omdat hij bang was anders uit het zo succesvolle Procol Harum te worden gezet. Ook in 1971 en in 1991 heeft hij naar eigen zeggen aangegeven dat hij meende recht op royalties te hebben die maar niet werden betaald, maar daarmee doelde hij niet specifiek op auteursrechtelijke inkomsten. In april 2005 stuurt Fisher een sommatiebrief naar Brooker, Reid en Onward Music. Hij claimt een aandeel in het auteursrecht op de compositie en doet een schikkingsvoorstel. Dat voorstel wordt niet aanvaard en op 31 mei 2005 start Fisher – na bijna veertig jaar - alsnog een rechtszaak.                                    Rechtbank Fisher krijgt na enkel jaren procederen uiteindelijk grotendeels gelijk van de rechtbank. De rechtbank behandelt de volgende rechtsvragen: Kun je ook na 38 jaar stilzitten alsnog het auteurschap claimen van een werk? Ja dat kan, want in de Engelse wetgeving staat nergens dat dat niet kan, zijn rechten zijn niet verjaard; Is het orgelstuk origineel genoeg om een ‘werk’ te zijn in de zin van de auteurswet? Ja, dat is het geval. De rechter oordeelt dat Fisher voor 40% mede-componist is van AWSOP; Heeft Fisher zijn rechten niet al eerder overgedragen aan Essex? Nee, dat is niet het geval; Zijn Fisher’s rechten mogelijk vervallen vanwege het platencontract dat hij eerder sloot met Essex? Nee, ook dat is volgens de rechtbank niet het geval; Heeft Fisher zijn rechten mogelijk verspeeld vanwege de 40 jaar lang ‘opgewekte schijn’ dat hij geen aanspraak maakte op zijn mede-makerschap? Of heeft Fisher wellicht berust in de situatie en kan hij daar nu niet meer op terugkomen? Heeft hij wellicht door veertig jaar stil te zitten (impliciet) afstand gedaan van zijn aanspraken? Van dit alles is geen sprake volgens rechter J. Blackburne; Kan Fisher schadevergoeding vanwege niet-ontvangen royalty’s claimen tot 6 jaar vóór het sturen van de sommatiebrief? Nee, dat kan volgens de rechtbank niet. Fisher wordt geacht voor die periode een impliciete licentie te hebben verleend aan Essex/Onwards voor de exploitatie van het werk; Wat voor juridische oplossing kan Fisher nog realiseren na veertig jaar? Hij kan geen verbodsrecht uitoefenen volgens de rechtbank, maar hij krijgt wel een verklaring voor recht, te weten: Fisher is voortaan mede-auteur van de compositie AWSOP; Fisher is voortaan voor 40% mede-componist; Fisher heeft tot de start van de rechtszaak een impliciete toestemming gegeven voor de exploitatie van het werk, welke licentie per de start van de gerechtelijke procedure op 31 mei 2005 is geëindigd. Vanaf dat moment heeft Fisher recht op zijn aandeel in de inkomsten uit de auteursrechten. Hoger beroep In hoger beroep blijkt dat de strijdende partijen allebei berusten in een aantal oordelen van de rechtbank. Met name de kwesties genoemd onder a., b., f. en g. komen in hoger beroep niet meer aan de orde. Het Hof is in tegenstelling tot de rechtbank van mening dat het ‘oneerlijk’ (‘unconscionable’) is van Fisher om de ‘ impliciet’ verstrekte licentie aan Essex/Onwards in te trekken. Ook verzetten de leerstukken van ‘berusting’ en ‘rechtsverwerking’ zich tegen het oordeel van de rechtbank om Fisher alsnog een 40% aandeel in de (toekomstige) inkomsten voor de compositie te verstrekken als mede-auteur. Hooggerechtshof (Lawlords) Bij het Hooggerechtshof (dan nog: de lawLords) zijn er vervolgens nog drie te beslissen onderwerpen over, namelijk: had Fisher in 1967 zijn auteursrechten wellicht ‘impliciet’ overgedragen aan Essex? had Fisher zijn rechten verloren vanwege de in het platencontract opgenomen overdracht van rechten? was Fisher in 2005 inderdaad te laat met zijn claim en handelde hij daardoor ‘oneerlijk’ (unconscionable) en konden de verweerders zich terecht beroepen op juridische leerstukken zoals ‘ berusting’, ‘rechtsverwerking’ of zoiets als ‘opgewekte schijn’ (naar Engels recht ‘estoppel’) waardoor Fisher – ondanks zijn mede-auteurschap – inderdaad niet alsnog 40% van de inkomsten kon claimen? De Lords oordeelden op 30 juli 2009 als volgt. Ad I      Van een impliciete overdracht van auteursrechten kon volgens de Lords geen sprake zijn. Zo’n overdracht moet blijken uit de feiten, die na veertig jaar niet goed meer te reconstrueren waren. Veel betrokkenen waren overleden. Essex had de auteursrechten op het werk in maart 1967 overgedragen gekregen van Brooker en Reid. Het werk was echter pas later in de finale vorm opgenomen en uitgebracht en door Essex geëxploiteerd. Ook het platencontract was pas na de release ondertekend. De gedaagden konden niet genoeg feiten van veertig jaar geleden aanvoeren die zouden moeten leiden tot de conclusie dat Fisher al vóór de ondertekening van het platencontract, inderdaad impliciet zijn auteursrechten had overgedragen aan Essex. Sterker, Fisher werd pas na maart 1967 betrokken bij de opname van AWSOP, terwijl Brooker en Reid hun auteursrechten toen al hadden overgedragen aan Essex. Dit argument werd afgewezen. Ad II     De rechtbank had eerder geoordeeld dat het platencontract niet zo zeer ging over de overdracht van auteursrechten, maar over het verstrekken van het recht aan Essex om de muziekopname van AWSOP te exploiteren. Door de ondertekening van het platencontract had Fisher in feite uitsluitend een licentie verstrekt aan Essex om de eerste opname van het werk waarvan hij (achteraf bezien) een co-auteur was, te exploiteren. Van een overdracht van auteursrecht was in het platencontract geen sprake. Ad III    De Lords constateerden dat er in feite drie belangrijke momenten zijn aan te wijzen, namelijk: De periode in 1967 toen de opname werd gemaakt en uitgebracht; Het vertrek van Fisher uit de band in 1969; De start van de gerechtelijke procedure in 2005. 1967 Fisher had in 1967 geen auteursrecht geclaimd ten tijde van de opname en de release van AWSOP. Had Fisher dat destijds wèl gedaan, dan had hij alsnog zijn rechten moeten overdragen aan Essex, aldus de verweerders. Door pas een claim in te dienen nadat het werk enorm succesvol was gebleken, verkreeg hij op oneerlijke wijze een enorm onderhandelingsvoordeel, aldus Brooker en Reid. De Lords vonden deze redenering echter weinig consequent, aangezien de verweerders in eerdere instanties hadden beweerd dat – had Fisher in 1967 inderdaad een claim ingediend – hij uit de band zou zijn gezet en het werk zonder zijn bijdrage zou zijn uitgebracht. In cassatie waren verweerders bovendien te laat met zo’n nieuw verweer. De Lords vonden het logischer te concluderen dat – had Fisher in 1967 inderdaad zijn aandeel in het auteursrecht opgeëist – Fisher dan ook een aandeel in de royalty-inkomsten zou hebben gehad, terwijl daar juist in al die veertig jaren van exploitatie geen enkele sprake van was geweest. Dat geld was immers volledig naar Brooker, Reid en Essex gegaan. De Lords vonden dat anno 2009 duidelijk volstrekt onrechtvaardig. Van rechtsverwerking of ‘opgewekt vertrouwen’ juist doordat Fisher in 1967 geen auteursrecht had geclaimd, was volgens de Lords geen enkele sprake. 1969 Was dat wellicht in 1969 anders, toen Fisher de band verliet? Hij had toen immers afstand gedaan van zijn rechten, in ruil voor een vrijwaring. Dat zou in beginsel hebben gekund, maar uit de door de jury in eerdere instanties vastgestelde feiten bleek dat niet. In de overeenkomst werd bovendien met geen woord gerept over auteursrecht. In cassatie konden de Lords dan ook niets meer met dit argument. 2009 De Lords concludeerden vervolgens, dat – in tegenstelling tot de Ierse wetgeving -  de Engelse wetgeving geen belemmering bevat voor het pas na veertig jaar claimen van een eigendomsrecht, zoals het muziekauteursrecht op (een deel van) een werk. Bovendien werden Brooker, Reid en Essex niet benadeeld door de opgetreden ‘vertraging’ als het ging om de 40% claim, nu zij daardoor juist veertig jaar lang zeer substantiële (extra) inkomsten hadden ontvangen, te weten het aandeel in de inkomsten dat anders aan Fisher zou zijn toegekomen. Brooker en Reid hadden geen nadeel geleden maar juist voordeel genoten! De tijd was nu gekomen om dat recht te zetten. In de woorden van één de Lords, te weten Baroness Hale of Richmond: ‘As one of those people who do remember the sixties, I am glad that the author of that memorable organ part has at last achieved the recognition he deserves’. Eind goed al goed voor Matthew Fisher. Tekst: Margriet Koedooder De Vos & Partners Advocaten, Amsterdam Hèt advocatenkantoor voor de creatieve industrie PS: In de Buma/Stemra database staan op 23 juli 2021 de volgende rechthebbenden vermeld:  

Lees meer

23-07-2021 - door Jim Drenth

“De directie stelt zich niet aansprakelijk voor vervreemding, verloren gaan of beschadiging van eigendommen van bezoekers”

In garderobes hangen vaak bordjes met teksten zoals opgenomen in de titel van dit artikel. De bedoeling ervan is om de aansprakelijkheid van het bedrijf te beperken. Kan dat op deze manier? Onlangs is door de rechtbank Rotterdam een vonnis gewezen over de geldigheid van een exoneratiebeding[1] op een toegangsbord bij een haventerminal. Deze situatie valt te vergelijken met het bordje bij de garderobe. In beide gevallen wil de eigenaar van het bedrijf dat regels gelden voor degenen die op het perceel komen (haventerminal) c.q. gebruik maken van de diensten (garderobe). Hier ziet u een foto van het betreffende bord uit de casus. Algemene voorwaarden Juridisch gezien worden deze borden beschouwd als algemene voorwaarden[2]. Dat moet als volgt gelezen worden: “U mag de haventerminal betreden, op voorwaarde dat de op het bord genoemde regels van toepassing zijn.”. Dat mag, zolang de algemene voorwaarden zijn overeengekomen.  Algemene voorwaarden zijn overeengekomen als de ene partij (de wederpartij) de (gelding van de) algemene voorwaarden van de andere partij (de gebruiker) aanvaardt. Maar wanneer is sprake van aanvaarding? In de standaardsituatie worden de algemene voorwaarden als bijlage bij de hoofdovereenkomst gevoegd[3]. De wederpartij geeft daar vervolgens akkoord op - bijvoorbeeld door de hoofdovereenkomst te ondertekenen - waardoor de algemene voorwaarden zijn aanvaard (en dus overeengekomen). In sommige gevallen is fysieke ondertekening echter niet mogelijk of wenselijk. Neem het voorbeeld van de chauffeur en de haventerminal. Het is niet werkbaar om iedere chauffeur voorafgaand aan het betreden van de haventerminal de algemene voorwaarden te laten ondertekenen. In dat soort situaties kan een toegangsbord uitkomst bieden. Als daar gebruik van gemaakt wordt, geldt wel dat een chauffeur (lees: de wederpartij) de redelijke mogelijkheid geboden moet zijn om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Is dat niet het geval, dan kunnen de algemene voorwaarden vernietigd worden. Of een wederpartij een redelijke mogelijkheid geboden is, wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden. Dat maakt de jurisprudentie erg casuïstisch. Feiten en omstandigheden uit de casus In de zaak van de rechtbank Rotterdam heeft de rechter aangenomen dat de algemene voorwaarden, met daarin het exoneratiebeding, wel zijn overeengekomen. De rechtbank legde daaraan ten grondslag dat: Op het haventerrein het hanteren van algemene voorwaarden door middel van het plaatsen van borden gebruikelijk is en verondersteld mocht worden dat de wederpartij daar, als professioneel transportbedrijf, mee bekend was; De tekst duidelijk leesbaar was; De chauffeurs het terrein wekelijks betraden en bekend waren met het bord; De chauffeurs voorafgaand een instructiefilm hebben moeten bekijken en een afsluitende toets hebben moeten afleggen om hun cargo card te verkrijgen of vernieuwen. Hieruit volgt dat in dergelijke situaties goed gekeken moet worden naar de feitelijke omstandigheden zodat op grond daarvan bepleit kan worden of de algemene voorwaarden wel of niet zijn overeengekomen. Dat vergt goed en grondig overleg tussen advocaat en cliënt. Bij exoneratiebedingen kan het antwoord op die vraag het verschil zijn tussen volledige uitsluiting van aansprakelijkheid of volledige toekenning van een vordering. De gevolgen kunnen dus aanzienlijk zijn. Regelgeving en feiten en omstandigheden zijn altijd communicerende vaten. Onze advocaten kunnen u adviseren over de wisselwerking tussen beiden. Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen over (de aanvaarding van) algemene voorwaarden? Neem dan vooral contact op met ons kantoor om door één van onze advocaten te worden geadviseerd. [1] Een exoneratiebeding is een beding ter (gedeeltelijke) uitsluiting van aansprakelijkheid [2] Ingevolge artikel 6:231 BW zijn algemene voorwaarden immers een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatst genoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. [3] Ingevolge artikel 6:233 sub b BW dient de gebruiker de wederpartij de redelijke mogelijkheid te hebben geboden om van de algemene voorwaarden kennis te vernemen.

Lees meer

16-07-2021 - door Jasper Hulsebosch

Wetsvoorstel tot wijziging Nederlandse cybersecuritywet Wbni

Dreigingsinformatie nu ook bij andere aanbieders Introductie: Hof van Twente Eind vorig jaar was de gemeente Hof van Twente slachtoffer van een ransomware-aanval. Haar computersystemen waren platgelegd en pas na betaling van losgeld zouden de versleutelde bestanden weer worden vrijgegeven. De hackers zouden via het Remote Desktop Protocol zijn binnengekomen; een functie waarmee het mogelijk is om op afstand de controle over een andere pc over te nemen. De gebrekkige beveiliging van Hof van Twente had in een vroeg stadium met haar kunnen worden gedeeld door het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), maar dat is uiteindelijk niet gebeurd mede vanwege privacy redenen. Om dergelijke onwenselijke situaties te voorkomen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus een voorstel ingediend tot wijziging van de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni). Hieronder volgt een korte toelichting. Huidige Wbni: beperkte uitwisseling van informatie De Wbni is erop gericht de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten, de gevolgen van cyberincidenten te beperken en zo maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Op grond van de Wbni moeten onder meer ‘vitale aanbieders’ (zoals bijv. drinkwaterbedrijven) ernstige IT-incidenten melden bij het NCSC. Een van de hoofdtaken van het NCSC is dat zij die vitale aanbieders helpt bij het treffen van de juiste maatregelen om de continuïteit van hun diensten te waarborgen en hen te informeren en te adviseren over dreigingen en incidenten ten aanzien van hun netwerk- en informatiesystemen. Daarnaast mag het NCSC bepaalde dreigingsinformatie over andere aanbieders delen met een beperkte kring van organisaties (zijnde de CSIRT’s, de AIVD, de MIVD en bepaalde aangewezen computercrisisteams). Op grond van de huidige Wbni kan het NCSC dus dreigings- of incidentinformatie alleen rechtstreeks delen met vitale aanbieders of bepaalde organisaties. Dat dergelijke informatie niet ook met andere aanbieders kan worden gedeeld (zoals bijvoorbeeld verstrekking aan het Hof van Twente), is onder meer gelegen in het feit dat de data waarover het NCSC beschikt vaak ook bestaat uit persoonsgegevens (bijv. IP-adressen en e-mail adressen). Op grond van de AVG mag die data niet zomaar door het NCSC worden verstrekt aan derde partijen, en de huidige Wbni geeft hiervoor ook (nog) geen wettelijke grondslag. De huidige Wbni maakt het bovendien onmogelijk dat de NCSC vertrouwelijke gegevens die kunnen worden herleid tot een aanbieder, deelt met organisaties die objectief kenbaar tot taak hebben om andere organisaties of het publiek te informeren over digitale dreigingen en incidenten (‘OKTT’s’). Hierdoor kunnen aanbieders in de doelgroepen van deze OKTT’s niet altijd beschikken over de voor hen relevante informatie over IT-dreigingen of incidenten. Wetswijziging Wbni Met het wetsvoorstel wordt de Wbni onder meer aangepast zodanig dat: I. in bijzondere gevallen dreigings- en incidentinformatie rechtstreeks kan worden gedeeld met andere aanbieders (die geen vitale aanbieders zijn of onderdeel van de rijksoverheid); II. zonder instemming van andere aanbieders, vertrouwelijke gegevens die kunnen worden herleid tot die andere aanbieders (zoals namen) kunnen worden verstrekt aan OKTT’s. Hierdoor kan het NCSC in bijzondere gevallen (waarbij telkens aan de AVG zal worden getoetst) ook rechtstreeks informatie verstrekken aan andere aanbieders, zodat die partijen (tijdig) concrete maatregelen kunnen treffen om de continuïteit van hun eigen dienstverlening te waarborgen. Daarnaast worden ook OKTT’s in staat gesteld om vertrouwelijke tot aanbieders herleidbare informatie te ontvangen van het NCSC, en op basis daarvan de aanbieders in hun doelgroepen te informeren over voor hen relevante incidenten of dreigingen. Hierdoor wordt de digitale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving verder vergroot, reden waarom ik de voorgestelde wijziging van de Wbni alleen maar kan toejuichen. Hopelijk wordt Wbni 2.0 snel realiteit. Meer weten over de cybersecurity regelgeving? Lees dan mijn andere artikelen over dit onderwerp en/of stuur mij een bericht (jhulsebosch@devos.nl).

Lees meer



Copyright/Disclaimer © 2017 by De Vos & Partners N.V., Amsterdam, Nederland. All rights reserved. Website by Omelette Du Fromage