+31 (0)20 2060700info@devos.nl
Bestuurder paardenvleesaffaire aansprakelijk

Bestuurder paardenvleesaffaire aansprakelijk

Rechter stelt bestuurder paardenvleesaffaire aansprakelijk voor tekort faillissement

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 17 augustus 2016 bepaald dat de uiteindelijk eigenaar en indirect bestuurder van de failliete Vleesgroothandel Willy Selten B.V., de heer Willy Selten, aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van de failliete vleesgroothandel.

De paardenvleesaffaire

Begin 2013 kwam de paardenvleesaffaire aan het licht. De vleesgroothandel kreeg in genoemde periode landelijke bekendheid, nadat een afnemer in een partij rundvlees DNA van paardenvlees had aangetroffen en de media berichtten dat de vleesgroothandel verdacht werd van het vermengen van paardenvlees met rundvlees en het verkopen van het mengsel als puur rundvlees. Dat was voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aanleiding een onderzoek in te stellen. Op 15 februari 2013 nam de NVWA de vleesvoorraad van de vleesgroothandel in bestuursrechtelijke bewaring en riep al het tussen 1 januari 2011 en 15 februari 2013 door de vleesgroothandel verkochte vlees terug. Op 7 april 2014 werd Willy Selten bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschrifte vanwege het vervalsen van facturen, pakbonnen en schriftelijke verklaringen, waarin was vermeld dat geen paardenvlees was verwerkt, terwijl het product bestond uit zowel rundvlees als paardenvlees.

Faillissement en aansprakelijkstelling curator

Door de hierboven genoemde inbewaringneming van de vleesvoorraad werd de productie van de vleesgroothandel feitelijk stilgelegd. Als gevolg hiervan vroegen twee werknemers het faillissement van de vleesgroothandel aan, welk faillissement op 16 april 2013 werd uitgesproken. De in het faillissement van de vleesgroothandel aangestelde curator vorderde in deze procedure een veroordeling van de bestuurder tot betaling van het tekort in het faillissement. De curator baseerde zijn vorderingen tegen de bestuurder op onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. De curator stelde zich primair op het standpunt dat de bestuurder zijn administratieplicht van artikel 2:10 BW had geschonden en subsidiair dat de bestuurder zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk had vervuld en dat het aannemelijk was dat dit een belangrijke oorzaak was van het faillissement.

Oordeel van de rechter: onbehoorlijk bestuur

De rechtbank oordeelt dat de paardenvleesaffaire moet worden aangemerkt als onbehoorlijk omdat de vleesgroothandel daarmee de Europese voorschriften voor vleesverwerking bewust heeft overtreden en de bestuurder moest begrijpen dat de gevolgen voor de onderneming bij ontdekking van deze handelwijze waarschijnlijk desastreus zouden zijn. Van belang acht de rechtbank daarbij dat de bestuurder niet heeft betwist dat ingekocht paardenvlees werd geadministreerd op een partijnummer van rundvlees, dat het paardenvlees werd vermengd met rundvlees en dat op de etiketten niet werd vermeld dat het product paardenvlees bevatte.

De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de paardenvleesaffaire een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van de vleesgroothandel. Voorts overweegt de rechtbank dat het niet nodig is te beslissen op de stelling van de curator van schending van de administratieplicht van artikel 2:10 BW, omdat die stelling alleen van belang is voor de stelplicht en de bewijslast. Ook zonder een schending van de administratieplicht levert de paardenvleesaffaire kennelijk onbehoorlijk bestuur op en is aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Aangezien de rechtbank van oordeel is dat het tekort in het faillissement nog niet vaststaat, veroordeelt zij de bestuurder tot betaling op een voorschot van dat tekort ter hoogte van een bedrag van € 1.000.000,-, voor het overige wordt de zaak voor wat betreft het tekort verwezen naar een schadestaatprocedure.

Conclusie

De rechter oordeelt in deze zaak dat sprake is van onbehoorlijk bestuur zonder toe te komen aan een beoordeling van de wettelijke vermoedens zoals neergelegd in artikel 2:248 BW, te weten een schending van de publicatieplicht dan wel de boekhoudplicht. De paardenvleesaffaire an sich en de niet betwisting daarvan door de bestuurder, acht de rechter voldoende voor het oordeel dat de bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement? Neem gerust contact met ons op.

Deel dit bericht



Laatste nieuws

05-07-2019 - door

Vakantie!! Heb ik toestemming nodig van mijn (ex-)partner?

***Voor velen nadert een fijne periode: de zomervakantie\! G... Lees meer

21-06-2019 - door

Mandy Roggeveen heeft zich onlangs aangemeld bij het netwerk van ZaanLinQ

Mandy Roggeveen heeft zich onlangs aangemeld bij het netwerk... Lees meer

Copyright/Disclaimer © 2017 by De Vos & Partners N.V., Amsterdam, Nederland. All rights reserved. Created by Supreme being 21.3