+31 (0)20 2060700info@devos.nl
HOE MATTHEW FISHER VAN PROCOL HARUM NA VEERTIG JAAR STILZITTEN ALSNOG MEDE-AUTEUR WERD VAN ‘A WHITER SHADE OF PALE’

HOE MATTHEW FISHER VAN PROCOL HARUM NA VEERTIG JAAR STILZITTEN ALSNOG MEDE-AUTEUR WERD VAN ‘A WHITER SHADE OF PALE’

Inleiding

Een aantal jaren geleden werd ik betrokken bij een merkwaardige zaak. Pas na 30 jaar meldde zich bij mijn cliënten een partij die beweerde dat een door hen gemaakt (algemeen bekend en zeer succesvol) muziekwerk eigenlijk door hem was gemaakt. Deze partij claimde niet alleen het auteursrecht, maar ook de inkomsten die mijn cliënten in de afgelopen dertig jaar hadden verdiend met het werk.

Verjaring makerschap?

Ik was ervan overtuigd dat deze zaak naar Nederlands recht om allerlei redenen zou moeten sneuvelen voor deze pseudo-auteur. Verjaring, rechtsverwerking, dwaling, opgewekte schijn, afstand van recht en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid schoten al door mijn hoofd. Maar op de zaak was Belgisch recht van toepassing en de pseudo-auteur kwam bij de Belgische rechter helaas een heel eind. Kan een partij op zijn woord terugkomen indien een ander daar jarenlang (gerechtvaardigd) op vertrouwd en naar gehandeld heeft? Kan de claim voor het makerschap verjaren? Dat lijken de hoofdvragen te zijn waar het hierbij om gaat.

Matthew Fisher

Pas onlangs kwam ik erachter dat zich in Engeland enkele jaren geleden een soortgelijke zaak heeft voorgedaan. Matthew Fisher, de organist van Procol Harum en verantwoordelijk voor het wereldberoemde orgelstuk in de wereldhit A Whiter Shade of Pale van Procol Harum, werd in 2009 – ruim veertig jaar na de eerste release van deze hit – alsnog erkend als mede-auteur van de compositie. Hoe zat dat nu precies? Hieronder vat ik de essentie van deze zaak, met toch wel een spectaculaire uitkomst, voor je samen.

Voorgeschiedenis

Mr Platz van platenmaatschappij en muziekuitgeverij Essex sloot op 16 mei 1967 een platencontract met de leden van Procol Harum, waaronder organist Fisher. In het contract staat onder meer het volgende:

“clause 3(i)(a)” - the band members granted to Essex “the right to manufacture… sell, lease, license or otherwise use or dispose of …. records embodying the performances to be recorded hereunder ….”. Further by what I shall for consistency’s sake refer to as clause 3(i)(e), the members of the band also granted to Essex “the right to incorporate in records to be made hereunder instrumentations, orchestrations and arrangements owned by the manager at the time of recording them”.

Vier dagen daarvoor, op 12 mei 1967, was de eerste single uitgebracht, getiteld A Whiter Shade of Pale (hierna: AWSOP). Ongeveer twee maanden eerder, op 7 maart 1967, hadden componist en zanger Gary Brooker en de tekstschrijver en manager Keith Reid, al een contract gesloten met Essex waarbij zij hun auteursrechten op het werk hadden overgedragen aan Essex. In de woorden van het contract dragen zij dan over:

“all the Copyright as defined by the Copyright Act 1956… in the words and music of the composition ‘A Whiter Shade of Pale’ [and another song] … absolutely”.

Deze overdracht kwam tot stand op basis van een demo van het later bekend geworden werk, die door Brooker zelf was ingespeeld en waarbij hij zelf de pianopartijen voor zijn rekening had genomen. Essex moest daardoor 50% van de auteursrechtelijke inkomsten doorbetalen aan Brooker en Reid. Op 17 maart 1967 wordt het werk ingeschreven bij de Britse PRS (Buma) en MCPS (Stemra).

In april 1967 kwam Fisher erbij en werd de ons bekende versie van AWSOP opgenomen met daarop de wereldberoemde orgelintro van Fisher. Op 12 mei 1967 werd de opname door Decca onder licentie van Essex uitgebracht als single. Pas op 16 mei 1967 ondertekende de band een platencontract met Essex. Fisher verliet de band weer in 1969, bij welke gelegenheid hij door de band werd gevrijwaard voor schulden, in ruil voor het door hem afzien van bepaalde royalty-inkomsten (niet zijnde auteursrechtaanspraken). En de rest is geschiedenis.

AWSOP is het succesvolste Britse lied aller tijden en is tenminste 1000 keer gecoverd door andere artiesten. Er zijn meer dan 10 miljoen platen verkocht en het werk is heel veel gebruikt in films, commercials en als ringtone. Essex draagt haar auteursrechten op het werk in 1993 over aan Onward Music Ltd die tot op de dag van vandaag de muziekuitgever is van het werk. In 1991 en 2003 werkt Fisher mee aan nieuwe albums van Procol Harum en doet hij als muzikant mee aan de optredens. Maar de samenwerking stopt aldoor weer snel. Fisher getuigt bij de rechtbank dat hij al in 1967 voor het eerst vroeg om een aandeel in het auteursrecht op de muziek, maar daar werd toen niet op gereageerd. Hij wilde zijn verzoek destijds niet doorzetten, omdat hij bang was anders uit het zo succesvolle Procol Harum te worden gezet. Ook in 1971 en in 1991 heeft hij naar eigen zeggen aangegeven dat hij meende recht op royalties te hebben die maar niet werden betaald, maar daarmee doelde hij niet specifiek op auteursrechtelijke inkomsten. In april 2005 stuurt Fisher een sommatiebrief naar Brooker, Reid en Onward Music. Hij claimt een aandeel in het auteursrecht op de compositie en doet een schikkingsvoorstel. Dat voorstel wordt niet aanvaard en op 31 mei 2005 start Fisher – na bijna veertig jaar - alsnog een rechtszaak.                                   

Rechtbank

Fisher krijgt na enkel jaren procederen uiteindelijk grotendeels gelijk van de rechtbank. De rechtbank behandelt de volgende rechtsvragen:

  1. Kun je ook na 38 jaar stilzitten alsnog het auteurschap claimen van een werk? Ja dat kan, want in de Engelse wetgeving staat nergens dat dat niet kan, zijn rechten zijn niet verjaard;
  2. Is het orgelstuk origineel genoeg om een ‘werk’ te zijn in de zin van de auteurswet? Ja, dat is het geval. De rechter oordeelt dat Fisher voor 40% mede-componist is van AWSOP;
  3. Heeft Fisher zijn rechten niet al eerder overgedragen aan Essex? Nee, dat is niet het geval;
  4. Zijn Fisher’s rechten mogelijk vervallen vanwege het platencontract dat hij eerder sloot met Essex? Nee, ook dat is volgens de rechtbank niet het geval;
  5. Heeft Fisher zijn rechten mogelijk verspeeld vanwege de 40 jaar lang ‘opgewekte schijn’ dat hij geen aanspraak maakte op zijn mede-makerschap? Of heeft Fisher wellicht berust in de situatie en kan hij daar nu niet meer op terugkomen? Heeft hij wellicht door veertig jaar stil te zitten (impliciet) afstand gedaan van zijn aanspraken? Van dit alles is geen sprake volgens rechter J. Blackburne;
  6. Kan Fisher schadevergoeding vanwege niet-ontvangen royalty’s claimen tot 6 jaar vóór het sturen van de sommatiebrief? Nee, dat kan volgens de rechtbank niet. Fisher wordt geacht voor die periode een impliciete licentie te hebben verleend aan Essex/Onwards voor de exploitatie van het werk;
  7. Wat voor juridische oplossing kan Fisher nog realiseren na veertig jaar? Hij kan geen verbodsrecht uitoefenen volgens de rechtbank, maar hij krijgt wel een verklaring voor recht, te weten:
    • Fisher is voortaan mede-auteur van de compositie AWSOP;
    • Fisher is voortaan voor 40% mede-componist;
    • Fisher heeft tot de start van de rechtszaak een impliciete toestemming gegeven voor de exploitatie van het werk, welke licentie per de start van de gerechtelijke procedure op 31 mei 2005 is geëindigd. Vanaf dat moment heeft Fisher recht op zijn aandeel in de inkomsten uit de auteursrechten.

Hoger beroep

In hoger beroep blijkt dat de strijdende partijen allebei berusten in een aantal oordelen van de rechtbank. Met name de kwesties genoemd onder a., b., f. en g. komen in hoger beroep niet meer aan de orde. Het Hof is in tegenstelling tot de rechtbank van mening dat het ‘oneerlijk’ (‘unconscionable’) is van Fisher om de ‘ impliciet’ verstrekte licentie aan Essex/Onwards in te trekken. Ook verzetten de leerstukken van ‘berusting’ en ‘rechtsverwerking’ zich tegen het oordeel van de rechtbank om Fisher alsnog een 40% aandeel in de (toekomstige) inkomsten voor de compositie te verstrekken als mede-auteur.

Hooggerechtshof (Lawlords)

Bij het Hooggerechtshof (dan nog: de lawLords) zijn er vervolgens nog drie te beslissen onderwerpen over, namelijk:

  1. had Fisher in 1967 zijn auteursrechten wellicht ‘impliciet’ overgedragen aan Essex?
  2. had Fisher zijn rechten verloren vanwege de in het platencontract opgenomen overdracht van rechten?
  3. was Fisher in 2005 inderdaad te laat met zijn claim en handelde hij daardoor ‘oneerlijk’ (unconscionable) en konden de verweerders zich terecht beroepen op juridische leerstukken zoals ‘ berusting’, ‘rechtsverwerking’ of zoiets als ‘opgewekte schijn’ (naar Engels recht ‘estoppel’) waardoor Fisher – ondanks zijn mede-auteurschap – inderdaad niet alsnog 40% van de inkomsten kon claimen?

De Lords oordeelden op 30 juli 2009 als volgt.

Ad I      Van een impliciete overdracht van auteursrechten kon volgens de Lords geen sprake zijn. Zo’n overdracht moet blijken uit de feiten, die na veertig jaar niet goed meer te reconstrueren waren. Veel betrokkenen waren overleden. Essex had de auteursrechten op het werk in maart 1967 overgedragen gekregen van Brooker en Reid. Het werk was echter pas later in de finale vorm opgenomen en uitgebracht en door Essex geëxploiteerd. Ook het platencontract was pas na de release ondertekend. De gedaagden konden niet genoeg feiten van veertig jaar geleden aanvoeren die zouden moeten leiden tot de conclusie dat Fisher al vóór de ondertekening van het platencontract, inderdaad impliciet zijn auteursrechten had overgedragen aan Essex. Sterker, Fisher werd pas na maart 1967 betrokken bij de opname van AWSOP, terwijl Brooker en Reid hun auteursrechten toen al hadden overgedragen aan Essex. Dit argument werd afgewezen.

Ad II     De rechtbank had eerder geoordeeld dat het platencontract niet zo zeer ging over de overdracht van auteursrechten, maar over het verstrekken van het recht aan Essex om de muziekopname van AWSOP te exploiteren. Door de ondertekening van het platencontract had Fisher in feite uitsluitend een licentie verstrekt aan Essex om de eerste opname van het werk waarvan hij (achteraf bezien) een co-auteur was, te exploiteren. Van een overdracht van auteursrecht was in het platencontract geen sprake.

Ad III    De Lords constateerden dat er in feite drie belangrijke momenten zijn aan te wijzen, namelijk:

  • De periode in 1967 toen de opname werd gemaakt en uitgebracht;
  • Het vertrek van Fisher uit de band in 1969;
  • De start van de gerechtelijke procedure in 2005.

1967

Fisher had in 1967 geen auteursrecht geclaimd ten tijde van de opname en de release van AWSOP. Had Fisher dat destijds wèl gedaan, dan had hij alsnog zijn rechten moeten overdragen aan Essex, aldus de verweerders. Door pas een claim in te dienen nadat het werk enorm succesvol was gebleken, verkreeg hij op oneerlijke wijze een enorm onderhandelingsvoordeel, aldus Brooker en Reid.

De Lords vonden deze redenering echter weinig consequent, aangezien de verweerders in eerdere instanties hadden beweerd dat – had Fisher in 1967 inderdaad een claim ingediend – hij uit de band zou zijn gezet en het werk zonder zijn bijdrage zou zijn uitgebracht. In cassatie waren verweerders bovendien te laat met zo’n nieuw verweer. De Lords vonden het logischer te concluderen dat – had Fisher in 1967 inderdaad zijn aandeel in het auteursrecht opgeëist – Fisher dan ook een aandeel in de royalty-inkomsten zou hebben gehad, terwijl daar juist in al die veertig jaren van exploitatie geen enkele sprake van was geweest. Dat geld was immers volledig naar Brooker, Reid en Essex gegaan. De Lords vonden dat anno 2009 duidelijk volstrekt onrechtvaardig. Van rechtsverwerking of ‘opgewekt vertrouwen’ juist doordat Fisher in 1967 geen auteursrecht had geclaimd, was volgens de Lords geen enkele sprake.

1969

Was dat wellicht in 1969 anders, toen Fisher de band verliet? Hij had toen immers afstand gedaan van zijn rechten, in ruil voor een vrijwaring. Dat zou in beginsel hebben gekund, maar uit de door de jury in eerdere instanties vastgestelde feiten bleek dat niet. In de overeenkomst werd bovendien met geen woord gerept over auteursrecht. In cassatie konden de Lords dan ook niets meer met dit argument.

2009

De Lords concludeerden vervolgens, dat – in tegenstelling tot de Ierse wetgeving -  de Engelse wetgeving geen belemmering bevat voor het pas na veertig jaar claimen van een eigendomsrecht, zoals het muziekauteursrecht op (een deel van) een werk. Bovendien werden Brooker, Reid en Essex niet benadeeld door de opgetreden ‘vertraging’ als het ging om de 40% claim, nu zij daardoor juist veertig jaar lang zeer substantiële (extra) inkomsten hadden ontvangen, te weten het aandeel in de inkomsten dat anders aan Fisher zou zijn toegekomen. Brooker en Reid hadden geen nadeel geleden maar juist voordeel genoten! De tijd was nu gekomen om dat recht te zetten. In de woorden van één de Lords, te weten Baroness Hale of Richmond:

‘As one of those people who do remember the sixties, I am glad that the author of that memorable organ part has at last achieved the recognition he deserves’.

Eind goed al goed voor Matthew Fisher.

Tekst: Margriet Koedooder

De Vos & Partners Advocaten, Amsterdam

Hèt advocatenkantoor voor de creatieve industrie

PS:

In de Buma/Stemra database staan op 23 juli 2021 de volgende rechthebbenden vermeld:

 

Geschreven door

Margriet Koedooder

Partner

 
Maak een afspraak

Deel dit bericht



Laatste nieuws

20-09-2021 - door

De rechtsgevolgen van de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring (september 2021)

*Indien de wederpartij de gerechtvaardigdheid van de ontbind... Lees meer

17-09-2021 - door

Els Doornhein in 'Boos' (Youtube serie van Tim Hofman)

Als een volgens Tim Hofman van YouTube kanaal BOOS "zwaargew... Lees meer

Copyright/Disclaimer © 2017 by De Vos & Partners N.V., Amsterdam, Nederland. All rights reserved. Website by Omelette Du Fromage