+31 (0)20 2060700info@devos.nl
MARTIN GARRIX LIJKT BIJ DE HOGE RAAD EEN OVERWINNING TE HEBBEN GEBOEKT IN DE RECHTSZAAK TEGEN SPINNIN, MAAR IS DAT OOK ECHT ZO?

MARTIN GARRIX LIJKT BIJ DE HOGE RAAD EEN OVERWINNING TE HEBBEN GEBOEKT IN DE RECHTSZAAK TEGEN SPINNIN, MAAR IS DAT OOK ECHT ZO?

MARTIN GARRIX LIJKT BIJ DE HOGE RAAD EEN OVERWINNING TE HEBBEN GEBOEKT IN DE RECHTSZAAK TEGEN SPINNIN, MAAR IS DAT OOK ECHT ZO?

  • HOGE RAAD WIJST CASSATIEBEROEP in de zaak Garrix / Spinnin GEDEELTELIJK TOE

Op 17 december 2021 wees de Hoge Raad arrest in de zaak van onze wereldberoemde DJ Martin Garrix tegen zijn voormalige platenlabel Spinnin Records BV en zijn voormalige management Musicallstars Management BV. Beide bedrijven waren eigendom van Eelko van Kooten. Tegenwoordig is Warner Music Group de eigenaar van Spinnin Records BV en Musicallstars Management BV.

Op deze uitspraak moest lang worden gewacht. De zaak begon ooit in 2014. In 2016 en 2017 werden door de rechtbank Midden-Nederland een drietal vonnissen gewezen. In hoger beroep kwam er op 24 december 2019 een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in deze zaak. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, wees het cassatieberoep van beide partijen af. Bijna twee jaar na de uitspraak van het hof komt dan nu het laatste woord van de Hoge Raad. Maar dat blijkt toch geen laatste woord te zijn.

Waar gaat deze zaak over?

Martin Garrix werd vanaf 2013 in zeer korte tijd een wereldberoemde DJ. Vanaf het grote succes van zijn eerste plaat, getiteld ‘Animals’ zat zijn carrière wereldwijd in de lift. En niet zo maar een lift, want Martin Garrix werd op 2016 door het internationale tijdschrift DJ MAG tot de nummer 1-DJ van de wereld gekozen. Sinds 2014 vliegt Martin Garrix de hele wereld over voor optredens tijdens grote festivals. Corona gooit sinds maart 2020 roet in het eten, maar Martin Garrix kon onlangs nog worden gespot in Abu Dhabi, waar hij na afloop van de Formule 1 race die werd gewonnen door Max Verstappen het grote publiek vermaakte met een speciale set. 

In het begin van zijn carrière (Garrix was toen nog minderjarig) sloot hij op 30 juli 2013 een co-managementcontract met Musicallstars Management voor de duur van twee jaar. Musicallstars kon volgens het contract de looptijd ervan aansluitend (eenzijdig) verlengen met de duur van nog eens twee jaar. Hetzelfde gold voor de door Garrix eveneens op 30 juli 2013 met Spinnin Records gesloten, tweede productieovereenkomst (de eerste productieovereenkomst met Spinnin sloot Garrix af in 2012). Beide overeenkomsten werden door beide bedrijven medio 2015 conform het gestelde in de overeenkomsten verlengd en wel tot 30 juli 2017. Maar Garrix – inmiddels wereldberoemd geworden - stak een stokje voor de verlenging door beide overeenkomsten bij brief van 29 juli 2015 te vernietigen, ontbinden dan wel te beëindigen. Spinnin ontbond op haar beurt de overeenkomsten met Garrix doordat hij zijn verplichtingen tegenover Spinnin niet behoorlijk zou zijn nagekomen. De rechtsgeldigheid van deze beëindigingen staat in de gevoerde rechtszaken centraal. Daarnaast is door Garrix een beroep gedaan op het sinds 1 juli 2015 ingevoerde auteurscontractenrecht. Ingevolge artikel 25f Auteurswet kunnen sindsdien onredelijk bezwarende bedingen in contracten van auteurs en artiesten met exploitanten, als ‘onredelijk bezwarend’ worden vernietigd. Garrix wilde daarnaast een uitspraak hebben van de rechter waaruit zou blijken dat niet Spinnin maar hij zelf de fonogrammenproducent is in de zin van de op 1 juli 1995 ingevoerde Wet Naburige Rechten (WNR). Garrix had bovendien betoogd dat de hoogte van de royalty die hij kreeg veel te laag was. Dat kwam in zijn ogen met name door de in het contract opgenomen, onbeperkte mogelijkheid voor Spinnin om kosten in mindering te brengen, aangezien de vergoeding voor Garrix moest worden berekend over de ‘netto-inkomsten’. Voor het geval de rechter het gedane beroep op artikel 25f Aw zou afwijzen, had Garrix nog een ‘veeg’argument in petto. Volgens Garrix moesten allerlei bepalingen in de contracten dan buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Alhoewel door Spinnin is benadrukt dat de sprong van Garrix naar de wereldtop niet zonder haar omvangrijke marketinginspanningen had kunnen worden gedaan, is het toch vooral Garrix die bij de rechtbank en in hoger beroep gelijk heeft gekregen met zijn stellingen. Maar niet alle door Garrix en Spinnin aangeroerde onderwerpen waren definitief beslecht door de rechters, vandaar dat de Hoge Raad er aan te pas moet komen. Garrix werd op de auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke geschilpunten grotendeels in het gelijk gesteld. Maar (grotendeels) niet op de verbintenisrechtelijke geschilpunten. De Hoge Raad geeft in dit arrest aan waar de rechter voortaan beter op moet letten bij geschillen als de onderhavige.

Rechtbank en hof

De rechtbank oordeelde desgevraagd, dat het inderdaad Garrix was die moest worden aangemerkt als de fonogrammenproducent. Ook oordeelde de rechtbank dat Garrix de overeenkomsten rechtsgeldig had vernietigd wegens dwaling. Onder dwaling wordt met name verstaan, de situatie waarbij een overeenkomst tot stand komt zonder goede voorstelling van zaken, terwijl bij een wél juiste voorstelling van zaken, een of beide partijen de overeenkomst nooit zouden hebben gesloten. Ter illustratie: de overtreffende trap van dwaling is bedrog. Bij dwaling is er dus sprake van een (belangrijke) vergissing, waardoor een partij het contract als ‘ongeldig’ gesloten kan bestempelen. Het gevolg is dat het contract nooit heeft bestaan en partijen dat wat zich sinds het contract heeft voorgedaan, terug moeten draaien.

Het hof vond evenals de rechtbank dat Garrix inderdaad de fonogrammenproducent is van de opnamen met de muziek van Garrix.  Maar het hof was het met de rechtbank niét eens als het ging om de vraag of het productiecontract contracten nu wel of niet allerlei ‘onredelijk bezwarende’ bedingen bevatte zoals dat is bedoeld in artikel 25f Auteurswet. Deze regeling geldt niet alleen voor contracten tussen auteurs van muziek en hun uitgevers, maar in beginsel ook voor artiestencontracten zoals het productiecontract van Spinnin. Het hof oordeelde, dat de eenzijdige opties die Spinnin én Musicallstars hadden bedongen voor de verlenging van beide contracten, wél in strijd waren met artikel 25f Aw en aldus ‘onredelijk bezwarend’ waren. Beide overeenkomsten eindigden dan ook volgens het hof op 30 juli 2015. Dit oordeel betekent overigens niet dat voortaan alle eenzijdige verlengingsopties in vergelijkbare contracten van andere artiesten en auteurs niet meer door de beugel kunnen. Want het hof vond die clausules in de contracten louter vernietigbaar, doordat in het specifieke (en uitzonderlijke) geval van Garrix sprake was van een zodanig ‘groot commercieel succes’, dat er in de periode 2013 – 2015 een onevenredigheid was ontstaan tussen de vergoedingen voor Garrix en de opbrengsten voor Spinnin. Spinnin had de royalty voor Garrix weliswaar verhoogd van 30% naar 33%, maar dat was volgens het hof in het licht van het enorme, internationale succes onvoldoende. De eenzijdige optie-clausule was dus rechtsgeldig vernietigd volgens het hof. Maar de bepaling in het contract over de grondslag voor de royalty-berekeningen (netto-inkomsten) vond het hof niét onredelijk bezwarend, omdat het hof niet was gebleken dat Spinnin – na het sluiten van het contract - ook daadwerkelijk onbeperkt of ongecontroleerd kosten in aftrek had genomen. De contractuele grondslag van de royalty-berekening (netto-inkomsten) werd in dit specifieke geval dan ook niet als ‘onredelijk bezwarend’ beding aangemerkt door het hof.

Fonogrammenproducent

Zowel de rechtbank als het hof meenden dat voor de vraag wie de fonogrammenproducent is van een opname, bepalend is wie het initiatief tot en de verantwoordelijkheid voor de eerste vastlegging van de muziek heeft. In het geval van Garrix (en vele andere DJ’s die hun muziek in beginsel thuis op eigen initiatief en met gebruik van eigen apparatuur vervaardigen) was hij dat zelf. Spinnin betoogde in beide gerechtelijke instanties nog - met een beroep op de feitelijke gang van zaken bij het productieproces - dat uitsluitend zij als de fonogrammenproducent kon worden aangemerkt. Maar zonder succes. De versie van een opname zoals die door Garrix aan Spinnin was aangeleverd, moet als de eerste vastlegging worden beschouwd en aldus als de ‘eerste opname’ van een muziekwerk. Weliswaar kan zo’n eerste opname vanwege muzikale en/of (marketing)technische aanwijzingen van Spinnin nog veranderen, maar dat doet daar niets aan af. Het betoog van Spinnin als zou het ‘fonogram’ de definitieve versie van een opname zijn zoals die door haar werd uitgebracht, sneuvelde.

Hoge Raad

Eén van de vragen die door de Hoge Raad moest worden beantwoord, betrof de vraag of de bepaling in het productiecontract over de grondslag van de royaltyvergoeding (netto-inkomsten) nu wel of niet onredelijk bezwarend was conform artikel 25f Auteurswet. De Hoge Raad oordeelt dat deze vraag ‘ex tunc’ moet worden beoordeeld, oftewel naar de omstandigheden zoals deze zich vóór of ten tijde van het sluiten van het contract hebben voorgedaan. Omstandigheden die zich ná het sluiten van het contract hebben voorgedaan, tellen dus niet mee. Het grote succes van Garrix dat zich direct na het sluiten van het contract had gemanifesteerd, mocht dus van de Hoge Raad niét worden meegenomen door het Hof bij een toetsing aan artikel 25f Aw. De overwegingen van het hof over de vraag of Spinnin daadwerkelijk hoge kosten in aftrek had genomen, konden evenmin door de beugel volgens de Hoge Raad, want ook die omstandigheden doen zich pas voor ná het sluiten van het contract.

R&B

Het hof had in hoger beroep geen woord vuil gemaakt aan het eerder door Garrix gedane beroep op het buiten toepassing laten van een aantal specifieke contractuele bepalingen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad vond dat desgevraagd een misser van het Hof, dat het op de redelijkheid en billijkheid gedane beroep wel degelijk had moeten behandelen. Bij een beroep op de redelijkheid en billijkheid kunnen namelijk wél omstandigheden worden meegewogen die zich na het sluiten van het contract hebben voorgedaan. Voor wat betreft de vraag wie nu wel en wie niet als fonogrammenproducent kan worden aangemerkt, knoopte de Hoge Raad aan bij de eerdere rechtspraak daarover. Het gaat om de persoon die de organisatie van de eerste opname op zich neemt én die daarvoor de financiële verantwoordelijkheid heeft. En dat is Garrix. Hier dus geen nieuws onder de zon.

Wat nu?

Zowel Spinnin als Garrix hebben gelijk en ongelijk gekregen. De Hoge Raad heeft de zaak doorverwezen naar het Hof Den Bosch, dat nu moet gaan oordelen of het argument van de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat alsnog een aantal contractuele clausules in het productiecontract zullen blijken te sneuvelen ja of nee. Eén van de clausules die opnieuw moet worden beoordeeld gaat over de grondslag van de royalty-vergoeding in het contract, te weten netto-inkomsten. Deze clausule kan in beginsel alsnog aantastbaar blijken te zijn, maar dan niet via een beroep op artikel 25f Aw maar omdat het gelet op alle omstandigheden van het geval, buiten toepassing moet worden gehouden wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Mij lijkt dat Garrix dan wel moet stellen én bewijzen, dat Spinnin ongebreideld aan kostenaftrek heeft gedaan. Is dat feitelijk toch niet het geval geweest, dan lijkt mij dat de zaak alsnog met een sisser zal aflopen voor Spinnin. Tenminste, voor wat betreft de hoge financiële vorderingen die door Garrix al eerder waren ingediend. Garrix verlangde van Spinnin eerder de doorbetaling van de door Spinnin ontvangen inkomsten uit naburige rechten uit hoofde van het producentenaandeel, € 2 miljoen euro met een beroep op de bestsellerregeling voor zijn eerste succesvolle track ‘Animals’ en de betaling van € 3,7 miljoen uit hoofde van achterstallige royalties. Van Musicallstars verlangde Garrix de betaling van een schadevergoeding van € 3,7 miljoen en de terugbetaling van ca. € 650.000  aan door Garrix betaalde managementfees. Spinnin vroeg op haar beurt al   eerder een schadevergoeding van Garrix ad € 3,7 miljoen en Musicallstars verlangde van Garrix een schadevergoeding wegens wanprestatie van € 2,7 miljoen. Ik ben benieuwd wat de procederende partijen aan het einde van de rit nu wel of niet financieel gewonnen blijken te hebben, want dat leert het arrest van de Hoge Raad ons helaas niet.

Problemen zoals die hiervoor worden geschetst vinden plaats op het snijvlak van het verbintenissenrecht, het auteursrecht en het naburige recht. Heb jij ook zo’n probleem? Aarzel dan niet om contact met me op te nemen: mkoedooder@devos.nl.

Tekst: Margriet Koedooder

De Vos & Partners Advocaten

Hét advocatenkantoor voor de culturele en creatieve industrie en de digitale economie

Geschreven door

Margriet Koedooder

Partner

 
Maak een afspraak

Deel dit bericht



Laatste nieuws

24-01-2022 - door

Man verzoekt tot vaststelling vaderschap

Eind 2021 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin de vr... Lees meer

21-01-2022 - door

Doorstart na faillissement

Als een bedrijf failliet wordt verklaard, wordt er een curat... Lees meer

Copyright/Disclaimer © 2017 by De Vos & Partners N.V., Amsterdam, Nederland. All rights reserved. Website by Omelette Du Fromage