adobestock_91635078

Succesvol bezwaar tegen Regeling Fosfaatreductieplan 2017 door melkveehouders

Op 1 maart 2017 is de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (hierna Regeling) in werking getreden. Het doel van de Regeling die loopt tot 31 december 2017, is dat melkveehouders het aantal melkkoeien op hun bedrijf verminderen tot het aantal dat zij op 2 juli 2015 hadden. Slagen zij hier niet in dan moeten zij flinke heffingen betalen.

De Regeling is in het leven geroepen om de derogatie van de Europese Commissie die Nederland het recht geeft om meer fosfaat te produceren dan andere Europese landen, ook voor de toekomst te behouden. Het bleek namelijk dat in de jaren 2015 en 2016 het totale fosfaatreductieplafond uit de derogatiebeschikking door Nederland was overschreden. Als gevolg daarvan heeft de Staatssecretaris gemeend nieuwe wetgeving te moeten maken met als doel een fosfaatreductie.

Uitgangspunt van de Regeling is dat alle melkveehouders hun veestapel moeten terugbrengen naar het aantal dat zij hadden op de peildatum 2 juli 2015. De Regeling biedt slechts in een zeer beperkt aantal gevallen (zogenaamde knelgevallen) ruimte om hiervan af te wijken. Als knelgeval wordt volgens de Regeling niet aangemerkt de melkveehouder die vóór 2 juli 2015 investeringen heeft gedaan in grond en/of stallen en die maken dat hij over meer koeien dient te beschikken dan het aantal dat hij had op 2 juli 2015 om deze investeringen te kunnen terug verdienen.

In een recente kort geding procedure ten overstaan van de civiele rechter is met succes door een aantal melkveehouders die op basis van door hen gedane investeringen op 2 juli 2015 hun veestapel nog niet op het peil hadden gebracht dat in verhouding is met door hen gedane investeringen, bezwaar gemaakt tegen de Regeling. De Regeling is jegens hen door de kort geding rechter bij kort geding vonnis d.d. 4 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:4635) buiten werking gesteld.

De kort geding rechter heeft geoordeeld dat de Regeling de proportionaliteitstoets zoals is vastgelegd in artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM (hierna artikel 1 EP) niet doorstaat. Voor de beoordeling van de proportionaliteit dient te worden bezien of er een rechtvaardig evenwicht (fair balance) bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de fundamentele rechten van het individu. Een inmenging mag geen onevenredige last (excessive burden) op de betrokkene leggen waarbij de wetgever uiteindelijk wel een ruime beoordelingsvrijheid toekomt.

De kort geding rechter heeft geoordeeld dat de Regeling de proportionaliteitstoets niet doorstaat omdat door de Regeling de betreffende melkveehouders dusdanig beperkt worden dat kan worden aangenomen dat de winstgevendheid van hun bedrijven in vergaande mate wordt aangetast terwijl zij niet hadden kunnen voorzien dat de Regeling ook hen zou treffen. Daarbij speelt mee dat alleen in algemene bewoordingen voor 2 juli 2015 over de invoering van productiebeperkende maatregelen bij overschrijding van het fosfaatreductieplafond is gesproken. Tevens speelt een rol dat in een advies van de Raad van State van 15 juli 2016 juist aandacht is gevraagd voor melkveehouders die investeringen hebben gedaan vóór de peildatum. De staatssecretaris heeft uiteindelijk deze melkveehouders niet onder de knelgevallenregeling willen laten vallen omdat dit tot afbakeningsproblemen zou kunnen leiden doch dit argument had echter voor de kort geding rechter geen gewicht in het kader van de uit te voeren toets op grond van artikel 1 EP. Tot slot valt niet uit te sluiten dat de betreffende melkveehouders uiteindelijk nog wel een beroep kunnen doen op de knelgevallen regeling gezien het recente amendement Geurts. Naar aanleiding hiervan is een adviescommissie ingesteld die moet adviseren over de reikwijdte van de knelgevallenregeling. Daarbij is aan de adviescommissie specifiek opdracht gegeven om de gevallen te bezien waarin onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan. De belangen van de groep melkveehouders die reeds investeringen hebben gedaan worden dus door de Raad van State en de Tweede Kamer uitdrukkelijk onderkend.

Op grond van het voorgaande heeft de kort geding rechter uiteindelijk geoordeeld dat de Regeling een onevenredige last op de eisende melkveehouders legt. Nu de Regeling in deze vorm ook niet voorzienbaar was en geen enkele compensatie biedt is sprake van een schending van artikel 1 EP. Dat maakt dat de Regeling jegens eisers onmiskenbaar onverbindend is.

Conclusie

Mochten door u als melkveehouder vóór 2 juli 2015 aanzienlijke investeringen in uw melkveehoudersbedrijf zijn gedaan en wordt u thans door de Regeling gedwongen uw veestapel in te krimpen met alle nadelige financiële consequenties van dien, dan heeft het zin nu al de Staat der Nederlanden aan te spreken. U hoeft dan niet te wachten totdat u een eerste heffing opgelegd krijgt waartegen u bezwaar kunt maken.

Nicolet Don

  • Nicolet Don
    Nicolet DonAdvocaat

    t: +31 (0)20 2060764

    Werkt voor: ondernemingen, vastgoed ontwikkelaars, (commerciële) verhuurders.

    Opleiding: Universiteit Leiden, civielrechtelijke afstudeerrichting (1993), Grotius Ondernemingsrecht.